Bij de overdracht van onroerend goed in Luxemburg is het registratierecht 6% over de verkoopsom, vermeerderd met 1% overschrijvingsrecht (droit de transcription) voor inschrijving in het hypotheekkadaster. Daarnaast kan een gemeentelijke opcentiem op het registratierecht gelden; in de Stad Luxemburg bedraagt die opcentiem 50% van het registratierecht (effectief +3%-punt), waardoor het totale recht daar oploopt tot 10% (6% + 3% + 1%). Voor de eigen gezinswoning bestaat een krediet op notariële akten (crédit dimpôt, Bëllegen Akt) tot 30.000 euro per persoon, dat de verschuldigde registratie- en overschrijvingsrechten vermindert (wet van 30 juli 2002, zoals gewijzigd). Dit voordeel geldt éénmalig per persoon, vereist effectieve bewoning als hoofdverblijf binnen twee jaar en minstens twee jaar behoud; bij niet-naleving volgt terugname. Het kan ook bij aankoop van bouwgrond worden toegepast mits binnen vier jaar wordt gebouwd; niet van toepassing op tweede verblijf of verhuurinvestering.
- Registratierecht: 6% van de koopsom (gemeentelijke opcentiem kan gelden, bv. Stad Luxemburg +50% op dit recht).
- Overschrijvingsrecht (transcriptie): 1% van de koopsom.
- Bëllegen Akt: krediet tot 30.000 euro per koper voor hoofdverblijf; combineerbaar door partners.
- BTW (algemeen tarief): 17%; superverlaagd tarief 3% voor hoofdverblijf op werken/nieuwbouw binnen plafonds.
- Notarishonoraria: wettelijk getarifeerd; 17% btw over het honorarium, plus vaste akte- en registerkosten.
BTW is in beginsel niet van toepassing op de verkoop van bestaande woningen (die vallen onder registratie- en overschrijvingsrechten), maar wel op levering van nieuwe gebouwen door een btw-plichtige ontwikkelaar en op bouw- en renovatiewerken. Het standaard-btw-tarief is 17%; voor de eigen hoofdverblijfplaats kan het superverlaagde tarief van 3% gelden op de bouw/werkzaamheden of bij eerste oplevering, mits voorafgaande goedkeuring via de gemeente en naleving van bewoningsvoorwaarden. Het 3%-regime is geplafonneerd door een maximaal btw-voordeel van 50.000 euro per woning (het voordeel betreft het verschil tussen 17% en 3%, waardoor de maximaal in aanmerking komende grondslag circa 357.000 euro bedraagt); het meerdere blijft aan 17% belast. Het 3%-tarief geldt enkel voor het woondeel en doorgaans niet voor de grond, die onder de registratie- en overschrijvingsrechten blijft vallen. Bij niet-naleving (geen tijdige bewoning of vervreemding) kan de btw-voordeelsregeling retroactief worden herzien.
Na aankoop geldt in Luxemburg een gemeentelijke onroerende voorheffing (impôt foncier) op basis van een oude waarderingsgrondslag (valeur unitaire), die in de praktijk doorgaans laag is; daarnaast kunnen lokale heffingen voor afval/water gelden, maar er is geen jaarlijkse vermogensbelasting voor particulieren. Belgische ingezetenen met Luxemburgs vastgoed moeten het buitenlandse onroerend goed in België aangeven; sinds 2021 kent de FOD Financiën een (forfaitair) kadastraal inkomen toe aan buitenlands vastgoed, met vrijstelling met progressie op basis van het Belgisch-Luxemburgse belastingverdrag voor inkomsten uit in Luxemburg gelegen onroerend goed. Bij de aankoop zelf zijn er geen Belgische registratierechten verschuldigd; alle overdrachtsheffingen worden in Luxemburg afgewikkeld via de notaris. Ter vergelijking: in Nederland bedraagt de overdrachtsbelasting 2% voor eigen bewoning en 10,4% voor overige verkrijgers (2023), zonder gemeentelijke opcentiem; btw is 21% op nieuwbouw/werken. In België liggen registratiepercentages voor bestaande woningen (afhankelijk van het Gewest) meestal hoger dan Luxemburgs basistarief, terwijl Luxemburg voor de hoofdverblijfplaats substantiële abattementen en 3% btw kent.
Jaarlijkse heffingen en belastingen in Luxemburg
De jaarlijkse onroerende heffing in Luxemburg is de gemeentelijke onroerende belasting (impôt foncier) op basis van een administratief vastgestelde valeur unitaire per perceel/gebouw. Die grondslag wordt door de fiscus (Administration des contributions directes) bepaald en in de praktijk zelden geactualiseerd, waardoor de aanslag relatief laag uitvalt. Elke gemeente past haar eigen tarief toe op die waarde; de uitkomst is doorgaans enkele tientallen tot enkele honderden euro per jaar voor een standaardwoning. Er bestaat geen belasting op een fictieve huurwaarde voor een eigen woning en particulieren betalen geen jaarlijkse vermogensbelasting in Luxemburg. Naast de impôt foncier rekenen gemeenten gebruiksgerelateerde heffingen aan, zoals water-, riool- en afvaltarieven, meestal op basis van gemeten verbruik, perceelkenmerken of container/ledigingen, die afzonderlijk worden gefactureerd.
Bruto huurinkomsten uit Luxemburgs gelegen vastgoed zijn in Luxemburg belast als onroerende inkomsten in de personenbelasting voor zowel inwoners als niet-inwoners. Belast wordt het nettoresultaat: aftrekbaar zijn onder meer onderhoud en herstellingen, beheerkosten, verzekeringen, onroerende belasting, interesten op de financiering en afschrijving op het gebouw (grond niet afschrijfbaar); de administratie aanvaardt gebruikelijke afschrijvingspercentages voor woongebouwen. De progressieve tarieven lopen tot 42% (2024), waarop nog een bijdrage aan het werkgelegenheidsfonds (contribution au fonds pour lemploi) wordt berekend over de verschuldigde belasting. Bewoning door de eigenaar genereert geen belastbaar voordeel (geen imputatie van huurwaarde). Verhuur van woonruimte is in beginsel vrijgesteld van btw; kortdurende logiesdiensten met hoteldiensten kwalificeren als btw-belaste accommodatie, waarvoor in Luxemburg een verlaagd tarief geldt (hotellogies 3% btw).
Belgische rijksinwoners met Luxemburgs vastgoed moeten het buitenlandse onroerend goed in de Belgische aangifte opnemen; sinds aanslagjaar 2022 (inkomsten 2021) wordt daartoe een buitenlands kadastraal inkomen toegekend door de FOD Financiën. Op grond van het Belgisch-Luxemburgse dubbelbelastingverdrag wordt het Luxemburgse onroerend inkomen in België vrijgesteld met progressie: het telt mee om het toepasselijke Belgische tarief te bepalen, maar wordt zelf niet nogmaals belast. Er is in België geen onroerende voorheffing verschuldigd op buitenlands vastgoed; de periodieke heffingen blijven in Luxemburg. Ter vergelijking: in Nederland bestaan wél jaarlijkse gemeentelijke onroerendezaakbelasting en waterschapsheffingen; daarnaast geldt een eigenwoningforfait voor de hoofdwoning en worden tweede woningen in box 3 belast op basis van een forfaitair rendement (2024: categorie overige bezittingen 6,04% forfaitair rendement, belast tegen 36% = effectief circa 2,17%).
- Impôt foncier (gemeentelijk): lage jaarlijkse heffing op valeur unitaire; tarief door de gemeente; afzonderlijk van verbruiksheffingen.
- Personenbelasting Luxemburg: nettohuur belast aan progressieve tarieven tot 42% (2024) + bijdrage fonds voor werkgelegenheid op de berekende belasting; geen imputatie voor eigen gebruik.
- Aftrekbaar: onderhoud/herstelling, beheer, verzekering, onroerende belasting, interesten, afschrijving op gebouw (grond uitgesloten); verliezen kunnen met andere inkomsten verrekend worden volgens Luxemburgse regels.
- Btw: woonverhuur vrijgesteld; kortdurend logies met hoteldiensten btw-belast (hotellogies 3% btw); geen btw op loutere langdurige woonverhuur.
- België (resident): aangifte verplicht; buitenlands KI sinds 2021; vrijstelling met progressie op basis van het Belgisch-Luxemburgse verdrag; geen Belgische onroerende voorheffing op Luxemburgs vastgoed.
Belastingregels bij verhuur en verkoop in Luxemburg
Huurinkomsten uit Luxemburgs gelegen woningen worden in Luxemburg bij de eigenaar belast als onroerende inkomsten, ook voor niet-inwoners. Belast wordt het nettoresultaat per kalenderjaar: bruto ontvangen huur minus aftrekbare kosten zoals onderhoud en herstellingen (geen verbeteringswerken), syndic/beheers- en makelaarskosten, brandverzekering, gemeentelijke onroerende belasting en interesten op de financiering; enkel het gebouw is afschrijfbaar, de grond niet. Waardeverhogende investeringen (bijv. structurele renovatie, uitbreiding) worden geactiveerd en via afschrijving ten laste genomen of verhogen later de fiscale kostprijs bij verkoop; afschrijvingen die tijdens verhuur zijn afgetrokken verlagen bijgevolg de resterende boekwaarde. Gemeubileerde woonverhuur blijft in beginsel onroerend; afzonderlijk meubilair kan fiscaal apart worden afgeschreven indien eigendom van de verhuurder. Er is geen bronheffing op huurbetalingen; de eigenaar dient een Luxemburgse (niet-)inwonersaangifte in en wordt progressief belast (tarieven tot 42%), waarop vervolgens de bijdrage aan het Fonds voor de Werkgelegenheid wordt berekend over de verschuldigde belasting.
Verhuur van woonruimte is in Luxemburg vrijgesteld van btw; er bestaat geen mogelijkheid om woonverhuur te opteren voor btw. Korte verblijfsaccommodatie met hoteldiensten (bijv. regelmatige schoonmaak, linnen, receptiediensten) kwalificeert als belaste logiesdienst, waarop in Luxemburg een verlaagd btw-tarief van 3% geldt; zonder hoteldiensten blijft de vrijstelling gelden. Voor dergelijke btw-belaste logiesdiensten geldt de Luxemburgse kleineondernemersdrempel (jaarlijkse omzet tot 35.000 euro): bij overschrijding is btw-registratie, facturatie met btw en periodieke aangifte verplicht; onder de drempel kan vrijstelling worden toegepast zonder recht op aftrek. Commerciële verhuur (niet-wonen) kan onder voorwaarden aan btw worden onderworpen via optie wanneer de huurder een btw-plichtige activiteit uitoefent; dit is niet van toepassing op residentiële huur. In Nederland is reguliere woonverhuur eveneens btw-vrijgesteld, maar daar wordt het rendement voor particulieren doorgaans forfaitair in box 3 belast in plaats van op basis van nettohuur.
Bij verkoop door particulieren is de meerwaarde op de eigen hoofdverblijfplaats in Luxemburg volledig vrijgesteld, mits het pand daadwerkelijk als hoofdverblijf heeft gediend tot aan de vervreemding (een korte leegstand in aanloop naar de verkoop schaadt de vrijstelling niet indien geen verhuur/beroepsgebruik plaatsvindt). Voor andere eigendommen geldt: verkoop binnen twee jaar na verwerving leidt tot een kortetermijnmeerwaarde die als gewoon inkomen progressief wordt belast; na twee jaar is de meerwaarde langetermijn en belast aan het halve globale tarief, met een persoonlijke vrijstelling van 50.000 euro per belastingplichtige per 10 jaar (100.000 euro bij gezamenlijke aanslag). De meerwaarde is de verkoopprijs minus de fiscaal aangepaste aanschaffingsprijs vermeerderd met aankoopkosten en geactiveerde investeringen, verminderd met reeds geclaimde afschrijvingen; indexeringscoëfficiënten kunnen van toepassing zijn volgens administratieve tabellen. Bij erfenis geldt in de regel een step-up naar de waarde bij overlijden; bij schenking geldt doorgaans kostprijsdoorschuiving (carry-over) zodat een latere verkoop door de begiftigde de latente meerwaarde kan realiseren. In Nederland zijn particuliere verkoopwinsten op woningen normaliter onbelast, terwijl Luxemburg deze (behoudens hoofdverblijf) wel belast volgens voorgaande regels.
Voor Belgische rijksinwoners met Luxemburgs vastgoed worden zowel huurinkomsten als vermogenswinsten conform het bilaterale verdrag aan Luxemburg toegewezen (OESO-model: artikelen inzake onroerende inkomsten en vermogenswinsten); België past vrijstelling met progressie toe. Huurinkomsten moeten in België wel worden aangegeven voor de toekenning van een buitenlands kadastraal inkomen; dit telt mee voor tariefbepaling, maar het Luxemburgse inkomen zelf wordt niet nogmaals belast. Een in Luxemburg belaste meerwaarde bij verkoop van een niet-hoofdverblijf is in België in beginsel eveneens vrijgesteld met progressie; Belgische specifieke termijntaksen op verkoop van Belgische panden zijn niet van toepassing op buitenlands onroerend goed. Voor Nederlandse rijksinwoners wordt Luxemburgs vastgoed in box 3 betrokken met verdragsvrijstelling voor buitenlands onroerend goed; verkoopwinsten zijn in Nederland als zodanig niet afzonderlijk belast. In alle gevallen blijven Luxemburgse heffingen (personenbelasting op verhuur of meerwaarde, registratie- en transactieheffingen) in Luxemburg verschuldigd, los van de fiscale behandeling in de woonstaat.
Hoeveel overdrachtsbelasting betaal je in Luxemburg?
De overdrachtsheffing in Luxemburg bestaat uit twee componenten: 6% registratierecht op de verkoopprijs en 1% overschrijvingsrecht voor de inschrijving in het hypotheekkadaster. Gemeenten mogen een opcentiem heffen op het registratierecht; in Luxemburg-Stad bedraagt die 50% van 6%, wat effectief 3%-punt extra is. Zonder gemeentelijke opcentiem komt de totale heffing daarmee uit op 7%; in Luxemburg-Stad is dit 10% (6% + 3% + 1%). De maatstaf is doorgaans de overeengekomen prijs exclusief los roerend goed; een geloofwaardige opsplitsing van meubilair/keukentoestellen verlaagt de grondslag voor de rechten. Bij nieuwbouw door een btw-plichtige ontwikkelaar kan het gebouw onder btw vallen (standaard 17% of 3% voor hoofdverblijf binnen plafonds), terwijl de grond doorgaans onder de registratie- en overschrijvingsrechten blijft; de notaris int en draagt de rechten af bij aktepassering.
Voor de eigen hoofdverblijfplaats bestaat een éénmalige kredietregeling op notariële akten (crédit dimpôt, Bëllegen Akt) tot 30.000 euro per koper, waarmee de verschuldigde registratie- en overschrijvingsrechten worden verrekend. Voorwaarden zijn onder meer effectieve bewoning als hoofdverblijf binnen twee jaar na aankoop en behoud gedurende minstens twee jaar; bij bouwgrond moet binnen vier jaar worden gebouwd. Het voordeel geldt niet voor een tweede verblijf of een verhuurinvestering. Ter vergelijking: in België bedragen de registratierechten bij aankoop van een enige eigen woning in Vlaanderen 3% en voor overige aankopen 12%; in Brussel en Wallonië is het standaardtarief 12,5%. In Nederland is de overdrachtsbelasting 2% voor eigen bewoning en 10,4% voor overige verkrijgers (2024), met een startersvrijstelling onder voorwaarden; er is geen gemeentelijke opcentiem.
Moet ik btw betalen bij aankoop van nieuwbouw in Luxemburg?
Ja, bij levering van nieuwbouw door een btw-plichtige ontwikkelaar of aannemer is btw verschuldigd op het gebouw in Luxemburg. Het standaardtarief bedraagt 17%. Wie de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken, kan op de bouw/oplevering het superverlaagde tarief van 3% verkrijgen, op voorwaarde van voorafgaande goedkeuring en effectieve bewoning als hoofdverblijf; het totale btw-voordeel is geplafonneerd op 50.000 euro per woning. Dat plafond stemt overeen met 14%-punt verschil tussen 17% en 3%, zodat maximaal circa 357.000 euro aan werken/gebouw tegen 3% kan worden gefactureerd; het meerdere blijft aan 17% belast. Het 3%-tarief geldt niet voor tweede verblijven of loutere verhuurinvesteringen. De toepassing gebeurt via facturen van de ontwikkelaar of aannemer na toekenning door de gemeente en de administratie.
De grond maakt in Luxemburg doorgaans geen deel uit van de btw-belaste levering en blijft onder registratieheffingen: 6% registratierecht plus 1% overschrijvingsrecht, eventueel vermeerderd met een gemeentelijke opcentiem op het registratierecht (Luxemburg-Stad +50% = +3%-punt). Bij aankoop op plan factureert de ontwikkelaar btw over de schijven die op het gebouw betrekking hebben, terwijl de notaris de registratie- en overschrijvingsrechten int op de waarde van de grond bij het verlijden van de akte. Het krediet op notariële akten (Bëllegen Akt) kan tot 30.000 euro per koper van deze registratie- en overschrijvingsrechten aftrekken, maar het verlaagt de verschuldigde btw niet. Niet-naleving van de voorwaarden voor het 3%-tarief (geen tijdige en duurzame eigen bewoning of vervreemding) kan leiden tot terugname van het genoten btw-voordeel door de administratie. Wordt een nieuw gebouw verkocht door een particulier die geen btw-plichtige is, dan geldt geen btw en blijven enkel registratie- en overschrijvingsrechten verschuldigd op de koopsom.
Kort vergelijkend: in België is de verkoop van een nieuw gebouw door een btw-plichtige in principe aan 21% btw onderworpen, vaak inclusief de grond wanneer dezelfde verkoper zowel grond als gebouw overdraagt; registratiebelasting (Vlaanderen 3%/12%, Brussel en Wallonië 12,5%) is dan niet verschuldigd op dat deel. Een tijdelijk 6%-tarief kan in specifieke sloop-heropbouwsituaties gelden onder strikte voorwaarden; voor loutere woonverhuur bestaat geen aftrekrecht, zodat btw voor particuliere kopers een kost blijft. In Nederland wordt de levering van een nieuwbouwwoning doorgaans met 21% btw belast, waarbij de samenloopvrijstelling de overdrachtsbelasting elimineert. Luxemburg onderscheidt zich doordat het woongebouw btw-belast is, maar de grond onder registratieheffingen blijft en omdat voor het hoofdverblijf een superverlaagd 3%-tarief met een absoluut voordeelplafond van 50.000 euro bestaat. Voor investeringsaankopen zonder hoteldiensten geldt 17% btw op het gebouw zonder aftrekrecht, aangezien residentiële verhuur vrijgesteld is.
- Btw op gebouw: 17% standaard; 3% voor hoofdverblijf binnen een voordeelplafond van 50.000 euro (? 357.000 euro aan grondslag).
Geen 3% voor tweede verblijf of verhuurinvestering. - Grond: registratie 6% + overschrijving 1% + eventuele gemeentelijke opcentiem (Luxemburg-Stad: totaal 10%).
- Bëllegen Akt: krediet tot 30.000 euro per koper ter vermindering van registratie-/overschrijvingsrechten; geen impact op btw.
- Particuliere verkoper (niet-btw-plichtig): geen btw op de verkoop; uitsluitend registratie- en overschrijvingsrechten verschuldigd.
Wat is de jaarlijkse onroerendgoedbelasting in Luxemburg?
De jaarlijkse onroerendgoedbelasting in Luxemburg is een gemeentelijke heffing die wordt berekend op basis van een administratief vastgestelde eenheidswaarde per kadastraal perceel/gebouw (valeur unitaire) die door de Administration des contributions directes wordt toegekend. Elke gemeente past op die eenheidswaarde haar eigen belastingcoëfficiënt toe, zodat er geen uniform nationaal percentage of koppeling aan actuele marktwaarde bestaat. De onderliggende waarderingen zijn historisch en worden alleen bij specifieke gebeurtenissen (zoals nieuwbouw, samenvoeging of splitsing van percelen) herzien, wat in de praktijk tot relatief beperkte aanslagen leidt. De aanslag staat op naam van de eigenaar die in de registers is ingeschreven op het relevante tijdstip; eventuele proratering bij aan- of verkoop wordt doorgaans louter contractueel via de notariële afrekening geregeld. Er bestaat geen afzonderlijke bewonersbelasting en particulieren zijn in Luxemburg niet aan een jaarlijkse vermogensbelasting onderworpen; de eigenaarsheffing op onroerend goed beperkt zich tot deze gemeentebelasting.
De orde van grootte varieert per gemeente en per eigendomstype, maar voor een standaard woonhuis loopt de jaarlijkse aanslag veelal van enkele tientallen tot enkele honderden euros; grotere percelen of meergezinsgebouwen kunnen merkbaar hogere bedragen opleveren. Aansluitende gemeentelijke facturen voor afvalophaling, water en riool worden los van de onroerendgoedbelasting aangerekend en zijn doorgaans gebaseerd op verbruik of dienstverlening, niet op de eenheidswaarde. Wordt de woning verhuurd, dan is de onroerendgoedbelasting in Luxemburg aftrekbaar als kost bij de berekening van het belastbaar nettohuurinkomen; voor eigen bewoning is dit geen fiscaal aftrekbare last. Luxemburg kent geen belasting op een fictieve huurwaarde voor de eigen woning, zodat bewoningshuur niet wordt geïmputeerd. Betaling gebeurt meestal jaarlijks volgens de termijnen van de gemeente; bij te late betaling kunnen nalatigheidsinteresten of administratieve verhogingen volgen. Formele vrijstellingen zijn beperkt en afhankelijk van specifieke bestemmingen of publieke doeleinden, niet van louter particulier woongebruik.
In België wordt de jaarlijkse heffing op onroerend goed (onroerende voorheffing) berekend op het kadastraal inkomen, jaarlijks geïndexeerd en verhoogd met provinciale en gemeentelijke opcentiemen, wat doorgaans tot hogere effectieve lasten leidt dan in Luxemburg. Belgische rijksinwoners met Luxemburgs vastgoed betalen in België geen onroerende voorheffing over dat buitenlandse goed; sinds 2021 wordt wel een buitenlands kadastraal inkomen toegekend voor de aangifte, zonder dat de Luxemburgse gemeentebelasting daardoor in België verschuldigd wordt. In Nederland heft de gemeente onroerendezaakbelasting (OZB) op basis van de WOZ-waarde, naast waterschapsheffingen; eigenaar-bewoners worden bovendien in de inkomstenbelasting geconfronteerd met het eigenwoningforfait (2024: 0,35% tot 1,2 miljoen euro WOZ en 2,35% over het meerdere). Vergeleken hiermee is de Luxemburgse jaarlijkse eigenaarsheffing relatief laag omdat zij niet aan actuele marktwaarden is gekoppeld maar aan administratieve waarderingen. De inning en bevoegdheid blijven volledig lokaal in Luxemburg en staan los van de personenbelasting over eventuele huurinkomsten.
- Grondslag: administratieve eenheidswaarde (valeur unitaire); geen koppeling aan marktwaarde.
- Tarief: door de gemeente vastgestelde coëfficiënt; geen nationaal uniform percentage.
- Orde van grootte: doorgaans tientallen tot enkele honderden euros per jaar voor een standaardwoning.
- Fiscaal: aftrekbaar bij verhuur in de Luxemburgse personenbelasting; geen imputatie van fictieve huurwaarde voor eigen bewoning.
- Geen jaarlijkse vermogensbelasting voor particulieren; nuts- en afvalheffingen worden afzonderlijk gefactureerd.
Hoe worden huurinkomsten belast in Luxemburg?
Huur uit in Luxemburg gelegen onroerende goederen wordt belast in de categorie revenus nets de location van de personenbelasting op basis van het kalenderjaar. De heffing gebeurt op het nettoresultaat per pand: bruto ontvangen huren en vergoedingen verminderd met toelaatbare kosten, belast aan de progressieve tarieven tot 42% (tarieftabel 2024), vermeerderd met de bijdrage aan het Fonds voor de Werkgelegenheid van 7% op de berekende belasting (9% bij hoge inkomensgrenzen volgens aanslagklasse). Er is geen bronheffing op huur; de eigenaar (ook niet?inwoner) dient een jaarlijkse (niet?)inwonersaangifte in bij de Administration des contributions directes. Niet?inwoners kunnen, bij 90%-voorwaarde of als buitenlands netto-inkomen lager is dan 13.000 euro, opteren voor assimilatie aan inwoner (gezinsfiscaliteit/klasse 2 en persoonsgebonden aftrekken). De wettelijke indieningstermijn is in beginsel 31 maart van het jaar na het inkomstenjaar; administratieve verlengingen worden regelmatig toegekend en tussentijdse aanslagvoorschotten kunnen worden opgelegd.
Als kosten zijn onder meer aftrekbaar: onderhoud en herstellingen (geen verbeteringswerken), syndicus-/beheer- en makelaarskosten, brand- en aansprakelijkheidsverzekering, gemeentelijke impôt foncier, financieringsinteresten, en overige rechtstreeks aan de verhuur toe te rekenen uitgaven. Waardeverhogende werken (renovatie/uitbreiding) worden geactiveerd en via afschrijving verrekend of later in de fiscale kostprijs bij vervreemding opgenomen; loutere herstellingen blijven direct aftrekbaar. Het gebouw is afschrijfbaar volgens aanvaarde administratieve useful?life?percentages, de grond niet; meubilair en toestellen kunnen afzonderlijk worden afgeschreven indien eigendom van de verhuurder. Tijdelijke leegstand tijdens actieve verhuurinspanningen verhindert de aftrek van vaste lasten niet; de bewijslast rust op de eigenaar. Bij mede?eigendom wordt elk voor zijn onverdeeld aandeel belast; er is geen sociale zekerheidsbijdrage op loutere particuliere huurinkomsten.
Woonverhuur is btw?vrijgesteld en kan niet opteren voor btw; dit verandert niets aan de directe belastingheffing op nettohuur. Korte verblijfsaccommodatie met hotelmatige diensten kwalificeert als btw?belaste logiesdienst, met afzonderlijke btw?registratie- en aangifteplichten; de opbrengsten blijven voor de inkomstenbelasting regulier als beroeps- of overige inkomsten beoordeeld afhankelijk van de feiten. Voor Belgische rijksinwoners wijst het Belgisch?Luxemburgse verdrag (OESO?model, art. 6) de heffingsbevoegdheid over deze huur toe aan Luxemburg; België past de vrijstelling met progressie toe (art. 155 WIB 92) en kent sinds inkomstenjaar 2021 een buitenlands kadastraal inkomen toe louter voor aangifte? en tariefdoeleinden. Er is in België geen onroerende voorheffing op Luxemburgs vastgoed; periodieke heffingen blijven in Luxemburg. Ter vergelijking: in Nederland worden particuliere tweede woningen doorgaans niet op nettohuur, maar forfaitair in box 3 belast; slechts bij ondernemings- of ROW?karakter kan box 1 van toepassing zijn.
Wat zijn de regels voor vermogenswinstbelasting in Luxemburg?
Voor natuurlijke personen worden vermogenswinsten op in Luxemburg gelegen onroerend goed (plus-values immobilières) belast volgens de Luxemburgse inkomstenbelastingwet (LIR), ongeacht of de verkoper inwoner of niet?inwoner is; de heffingsbevoegdheid berust in beginsel bij het land waar het onroerend goed ligt. De eigen hoofdverblijfplaats is volledig vrijgesteld: de woning moet feitelijk als principale woonst hebben gediend tot aan de verkoop of sinds de verwerving; een korte leegstand in aanloop naar de overdracht schaadt de vrijstelling niet zolang er geen verhuur of beroepsmatig gebruik plaatsvindt. De vrijstelling geldt niet voor tweede verblijven of investeringspanden. Vennootschappen vallen niet onder deze particuliere regeling; zij zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting en gemeentelijke bedrijfsbelasting volgens andere regels. Ter vergelijking: België kent ook een volledige vrijstelling voor de eigen woning, terwijl Nederland particuliere verkoopwinsten normaliter niet afzonderlijk belast (tweede woningen vallen in box 3 op basis van forfaitair rendement).
Bij verkoop binnen twee jaar na verwerving kwalificeert de meerwaarde als kortetermijn- of speculatieve meerwaarde en wordt zij volledig belast als gewoon inkomen aan de progressieve tarieven (tot 42% in 2024), waarop aanvullend de bijdrage aan het Fonds voor de Werkgelegenheid wordt berekend (meestal 7% op de verschuldigde belasting, 9% boven bepaalde inkomensschijven). Wordt pas na minstens twee jaar verkocht, dan is sprake van een langetermijnmeerwaarde die aan het halve globale tarief wordt belast (effectief circa de helft van het progressieve tarief dat op het inkomen van toepassing is). Voor langetermijnmeerwaarden geldt een persoonlijke vrijstelling van 50.000 euro per belastingplichtige per periode van tien jaar; bij gezamenlijke aanslag verdubbelt dit tot 100.000 euro. De vrijstelling wordt eerst verrekend, het saldo wordt belast volgens het halve?tariefmechanisme. De hoofdverblijfplaatsvrijstelling blijft steeds voorrang hebben en maakt toepassing van de tijds- en tariefregels overbodig.
De belastbare meerwaarde is in beginsel de verkoopprijs verminderd met verkoopkosten (bijv. makelaarscourtage) en vervolgens verminderd met de fiscaal aangepaste aanschaffingsprijs: de oorspronkelijke koopsom vermeerderd met aankoopkosten (registratierecht 6% + overschrijvingsrecht 1% en eventuele gemeentelijke opcentiem, notariskosten, makelaarskosten) en met kapitaalverbeteringen. Louter onderhoud en herstellingen zijn niet waardeverhogend en worden niet geactiveerd; structurele renovaties, uitbreidingen of andere investeringen die de waarde duurzaam verhogen worden wel in de kostprijs opgenomen. Administratieve indexeringscoëfficiënten kunnen van toepassing zijn op de aanschaffingsprijs en geactiveerde investeringen volgens door de fiscus gepubliceerde tabellen; reeds afgetrokken afschrijvingen tijdens verhuur verlagen de resterende boekwaarde en verhogen dus de belastbare meerwaarde. Bij vererving geldt doorgaans een step?up naar de waarde op de overlijdensdatum, terwijl bij schenking doorgaans de historische kostprijs van de schenker wordt overgenomen (carry?over), wat later tot realisatie van de latente meerwaarde bij de begiftigde kan leiden. Bij gemengd verkochte goederen (gebouw en grond) wordt de kostprijs overeenkomstig toegewezen aan de onderscheiden bestanddelen.
Er is geen voorheffing of inhouding door de notaris; de verkoper geeft de meerwaarde aan in de Luxemburgse aangifte personenbelasting over het jaar van de verkoop (niet?inwoners: aangifte als beperkte belastingplichtige). De wettelijke indieningstermijn is in de regel 31 maart van het jaar volgend op het inkomstenjaar; de administratie verleent vaak algemene verlengingen en legt zo nodig aanslagvoorschotten op. De verschuldigde belasting (inclusief bijdrage aan het Fonds voor de Werkgelegenheid) wordt betaald na aanslag; laattijdige aangifte of betaling kan tot nalatigheidsinteresten en administratieve verhogingen leiden. Volgens het Belgisch?Luxemburgse verdrag worden vermogenswinsten op Luxemburgs onroerend goed in Luxemburg belast en in België vrijgesteld met progressie; Nederlandse ingezetenen worden in Nederland niet op gerealiseerde meerwaarden belast, maar houden het object in box 3 met verdragsvrijstelling voor buitenlands vastgoed. Deze verdragsregels laten de Luxemburgse heffing onverlet en bepalen enkel de behandeling in de woonstaat.
- Hoofdverblijf: volledige vrijstelling bij feitelijke bewoning als principale woonst tot verkoop; korte leegstand toegestaan zonder verhuur/beroepsgebruik.
- Kortetermijn: verkoop binnen 2 jaar na aankoop; volledige opname in belastbaar inkomen, progressieve tarieven tot 42% (2024) + 7%/9% bijdrage Fonds voor de Werkgelegenheid.
- Langetermijn: verkoop na ?2 jaar; belasting aan halve globale tarief; bijzondere vrijstelling 50.000 euro per persoon per 10 jaar (100.000 euro bij gezamenlijke aanslag).
- Grondslag: verkoopprijs minus verkoopkosten, minus aangepaste aanschafprijs (koopsom + registratierechten/overschrijving/opcentiem + notaris/makelaar + kapitaalverbeteringen), gecorrigeerd voor indexering en afschrijvingen.
- Erfenis/schenking: step?up bij erfenis; carry?over bij schenking. Geen notariële inhouding; aangifte in Luxemburg vereist, ook voor niet?inwoners; verdragen met België/Nederland regelen enkel de woonstaatgevolgen.
Betaal ik ook in Nederland belasting over een woning in Luxemburg?
Als u in Nederland rijksinwoner bent en een woning in Luxemburg bezit, moet u deze opnemen in uw Nederlandse aangifte, maar de heffing over de onroerende zaak zelf komt op grond van het Nederland?Luxemburgse verdrag toe aan Luxemburg. In box 3 vermeldt u de waarde per 1 januari en de daarmee samenhangende schuld; Nederland verleent vervolgens voorkoming van dubbele belasting via de evenredigheidsmethode, waardoor de aan dit buitenlandse onroerend goed toerekenbare box?3?heffing effectief tot nul wordt verminderd. Het box?3?tarief bedraagt in 2024 36% en het forfaitair rendement voor overige bezittingen (waaronder onroerend goed) 6,04%, maar dit is slechts relevant voor de berekening van de vrijstelling. Nederlandse WOZ?waardering, OZB en waterschapsheffingen zijn niet van toepassing op buitenlands vastgoed en er is geen Nederlandse overdrachtsbelasting bij aankoop in Luxemburg. Eventuele Luxemburgse huur- en meerwaardebelastingen blijven in Luxemburg verschuldigd.
Is de Luxemburgse woning uw hoofdverblijf terwijl u in Nederland belastingplichtig blijft, dan valt deze in de eigenwoningregeling van box 1 (eigenwoningforfait en renteaftrek volgens de Wet IB 2001), maar het verdrag kent de heffing over onroerende?zaak?inkomen exclusief toe aan Luxemburg. Nederland past dan de vrijstellingsmethode toe voor buitenlandse onroerende zaken, waardoor het eigenwoningforfait en de hypotheekrente per saldo in Nederland worden geneutraliseerd en er doorgaans geen Nederlandse box?1?heffing of netto renteaftrek resteert. Luxemburg kent voor particuliere eigen bewoning geen jaarlijkse belasting op een fictieve huurwaarde, zodat in de praktijk geen Luxemburgse inkomstenbelasting ontstaat op eigen gebruik. Bij verhuur zijn de nettohuurinkomsten in Luxemburg belast; Nederland verleent voorkoming, zodat geen Nederlandse heffing volgt. U blijft de woning en eventuele huur in de Nederlandse aangifte administratief vermelden; de voorkoming wordt in de rubriek voorkoming dubbele belasting verwerkt.
Voor vergelijking: een Belgische rijksinwoner met Luxemburgs vastgoed geeft dit sinds inkomstenjaar 2021 in België aan via een door de FOD Financiën toegekend buitenlands kadastraal inkomen; België past vervolgens vrijstelling met progressie toe volgens het Belgisch?Luxemburgse verdrag. Er is in België geen onroerende voorheffing op in Luxemburg gelegen panden; periodieke vastgoedheffingen blijven in Luxemburg. In Nederland daarentegen wordt buitenlandse onroerende zaak in box 3 wel opgegeven, maar de toerekenbare box?3?heffing wordt volledig geëlimineerd via de verdragsvrijstelling, zodat effectief geen Nederlandse belasting over de woning zelf ontstaat. Voor 2024 is het box?3?tarief 36% en het forfait voor overige bezittingen 6,04%, maar deze parameters bepalen alleen de berekening van de vrijstellingsreductie. Zowel Nederland als België belasten een Luxemburgse verkoopwinst bij particulieren doorgaans niet nogmaals; de heffing over plus?values ligt in beginsel bij Luxemburg.
- Nederland: waarde per 1 januari en schuld in box 3 opnemen; voorkoming via evenredigheidsmethode resulteert in effectieve vrijstelling.
Box?3?tarief 2024: 36%; forfait overige bezittingen 6,04%. - Hoofdverblijf in Luxemburg: box 1 toepasbaar, maar volledige verdragsvrijstelling neutraliseert forfait en renteaftrek in Nederland.
- Geen Nederlandse WOZ/OZB/waterschapsheffingen en geen Nederlandse overdrachtsbelasting op Luxemburgse aankopen.
- België (ter vergelijking): aangifteplicht met buitenlands KI, vrijstelling met progressie; geen Belgische onroerende voorheffing op Luxemburgs vastgoed.
Bestaat er een dubbelbelastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg?
Ja. Nederland en Luxemburg hebben een bilateraal belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting en ter bestrijding van belastingontwijking inzake belastingen naar het inkomen en vermogen, ondertekend op 8 mei 1968, nadien meermaals gewijzigd (o.a. modernisering van uitwisseling van inlichtingen) en aanvullend gemodificeerd door het OESO?MLI. Het MLI trad in werking voor Nederland op 1 juli 2019 en voor Luxemburg op 1 augustus 2019; voor bronheffingen werkt de MLI?aanpassing tussen deze staten vanaf 1 januari 2020, en voor overige belastingen voor boekjaren die aanvangen op of na 1 februari 2020. Het verdrag wijst inkomsten uit onroerende zaken en vermogenswinsten daarop toe aan de staat waar het onroerend goed is gelegen, zodat Luxemburg primair belast bij Luxemburgs vastgoed. Nederland verleent vervolgens aan zijn rijksinwoners voorkoming volgens de vrijstellingsmethode met progressie voor dat onroerend inkomen en die vermogenswinsten. Daarnaast bevat het verdrag bepalingen over uitwisseling van inlichtingen, onderlinge overlegprocedure en anti?misbruik (thans o.m. de MLI?PPT).
De verdragsbepalingen limiteren doorgaans bronheffingen op dividenden en regelen toewijzing van interesten en royaltys, waarbij de praktische heffing mede wordt beïnvloed door nationaal en EU?recht: Nederland kent geen reguliere bronheffing op interesten en royaltys (maar sinds 2021 een conditionele bronheffing richting laagbelastende/oneigenlijke structuren), en Luxemburg heft in de regel geen bronheffing op interesten of royaltys. Voor dividenden bepalen zowel verdragsreducties als EU?richtlijnen en nationale vrijstellingen de effectieve druk; anti?misbruiktoetsen zijn sinds de MLI integraal van toepassing. Voor Belgische rijksinwoners met Luxemburgs vastgoed geldt afzonderlijk het Belgisch?Luxemburgse verdrag, dat onroerend inkomen aan Luxemburg toewijst en in België vrijstelling met progressie voorziet, met administratieve rapportering via het buitenlandse kadastraal inkomen. Vergeleken met Nederland, waar buitenlandse onroerende zaken in box 3 administratief worden opgenomen met verdragsvrijstelling, werkt België met het Belgische aangiftesysteem rond (buitenlands) kadastraal inkomen en zonder Belgische onroerende voorheffing op in Luxemburg gelegen goederen.
- Verdrag NL?LU: inkomsten-/vermogensverdrag van 8 mei 1968; nadien geamendeerd en door OESO?MLI aangevuld.
- MLI?inwerking: NL 1?7?2019; LU 1?8?2019; toepassing tussen NL en LU vanaf 1?1?2020 (bronheffingen) en boekjaren vanaf 1?2?2020 (overige).
- Onroerend goed: heffing in de staat van ligging (Luxemburg); Nederland past vrijstelling met progressie toe voor zijn inwoners.
- Bronheffingen: verdragslimitering op dividenden; interest/royaltys in de praktijk vaak bronvrij, met nationale/conditionele uitzonderingen.
- Vergelijking België: toewijzing aan Luxemburg en vrijstelling met progressie in België; administratieve opname via buitenlands kadastraal inkomen.
Zijn er erf- of schenkingsbelastingen in Luxemburg?
Ja. Luxemburg heft nalatenschapsrechten (droits de succession) bij overlijden en schenkingsrechten (droits de donation) bij levenslange overdrachten. In de regel belast Luxemburg goederen die in Luxemburg zijn gelegen: Luxemburgs onroerend goed is steeds aan Luxemburgse rechten onderworpen, ongeacht de woonplaats van erflater of schenker; Luxemburgse roerende goederen worden in de praktijk belast wanneer de erflater/schenker in Luxemburg woonde. De belastbare grondslag is het nettodeel per verkrijger (na aftrek van toerekenbare schulden en kosten), met tarieven volgens verwantschap en, bij overlijden, ook afhankelijk van of de vererving ab intestat of via uiterste wilsbeschikking plaatsvindt. Voor verkrijging door echtgenoot/partner of afstammelingen geldt bij wettelijke devolutie doorgaans een vrijstelling; legaten die hun wettelijk erfdeel overschrijden en verkrijging door andere verwanten/vreemden worden aan oplopende tarieven tot circa 15% belast. Voor Luxemburgs onroerend goed zijn een notariële attestatie en overschrijving in het hypotheekkadaster vereist; afdracht van verschuldigde rechten is voorwaarde voor registratie.
Schenkingen van Luxemburgs onroerend goed moeten via een Luxemburgse notariële akte worden verleden en geregistreerd; daarop zijn schenkingsrechten verschuldigd die variëren per verwantschap. Veelvoorkomende tariefschijven zijn 1,8% (rechtstreekse lijn en tussen echtgenoten/partners), 4,8% (tussen broers en zussen), 7,2% (tussen ooms/tantes en neven/nichten) en 14,4% (tussen overige personen), toegepast op de geschonken waarde. Bij onroerend goed komt daar doorgaans 1% overschrijvingsrecht voor de hypothecaire registratie bij, naast notariskosten (met btw) en vaste registratie?/kadastrale kosten. Roerende schenkingen bij Luxemburgse notaris volgen dezelfde tarieven; niet?geregistreerde hand? of bankgiften die niet in Luxemburg worden geformaliseerd vallen in beginsel buiten de Luxemburgse schenkingsheffing. Goederen buiten Luxemburg vallen niet onder Luxemburgse rechten; wordt een schenking via een Belgische notaris verleden, dan is Belgische schenkbelasting verschuldigd volgens de regionale regels, niet Luxemburgse.
Voor Belgische rijksinwoners geldt Belgische erf? en schenkbelasting over wereldwijde verkrijgingen (bevoegdheid van het Gewest), terwijl Luxemburg voor het in Luxemburg gelegen onroerend goed situsheffing uitoefent; cumulatie kan ontstaan. In de praktijk voorzien de Belgische regios in een aftrek of verrekening van in het buitenland betaalde nalatenschapsrechten op buitenlands onroerend goed binnen regionale grenzen en voorwaarden. Voor roerende schenkingen zijn de Belgische tarieven voor registratie laag: in Vlaanderen 3% (rechte lijn/echtgenoten/samenwoners) en 7% (anderen); in Brussel en Wallonië 3,3% respectievelijk 7,7%. Niet?geregistreerde roerende schenkingen vallen in de fictiebepaling van de erfbelasting als de schenker overlijdt binnen de termijn: Vlaanderen 4 jaar (schenkingen vanaf 1?7?2021), Wallonië 5 jaar (vanaf 1?1?2022), Brussel 3 jaar. Ter vergelijking: Nederland heft successie? en schenkbelasting bij inwoners over wereldwijde verkrijgingen (partners/kinderen 10%/20%; overige verkrijgers 30%/40%), met unilaterale verrekening voor in het buitenland betaalde rechten op buitenlandse onroerende zaken; Luxemburgse heffing over Luxemburgs onroerend goed blijft onafhankelijk daarvan verschuldigd.
- Nalatenschap Luxemburg: belast Luxemburgs gelegen goederen; vrijstelling in rechte lijn/partners bij wettelijke devolutie; overige verkrijgers progressief tot circa 15%.
- Schenking Luxemburg: 1,8% (rechte lijn/partners), 4,8% (broers/zussen), 7,2% (oom/tante ? neef/nicht), 14,4% (anderen) over de waarde; bij onroerend goed bijkomend 1% overschrijving.
- Formalisme: onroerende schenking verplicht via Luxemburgse notaris en registratie; nalatenschap van onroerend goed vergt attestatie en kadastrale overschrijving.
- België: wereldwijde erf/schenkbelasting; roerende schenkingen aan 3%/7% (VL) of 3,3%/7,7% (BXL/WA); look?back roerende niet?registratie: 4 jaar (VL), 5 jaar (WA), 3 jaar (BXL).
- Nederland (vergelijking): successie/schenking met tarieven 10%/20% (partner/kind) en 30%/40% (overigen); unilaterale verrekening voor buitenlandse onroerende zaken; Luxemburgse situsheffing blijft gelden.
Welke lokale heffingen en gemeentelijke belastingen gelden in Luxemburg?
Luxemburgse gemeenten hebben op grond van de Gemeentewet (loi communale, modifiée) eigen fiscale bevoegdheden en leggen die vast in gemeentereglementen. Naast de reeds vermelde eigenaarsheffing op onroerend goed (impôt foncier) rekenen gemeenten doorgaans gebruiks- en dienstheffingen aan die niet aan de marktwaarde zijn gekoppeld, maar aan verbruik of dienstverlening. Veelvoorkomend zijn afvalheffingen met een vaste component (abonnement/container) en een variabele component op basis van gewicht, volume of aantal ledigingen, vaak georganiseerd via intercommunale syndicaten. Voor water en riolering gelden afzonderlijke retributies: een vaste aansluit-/abonnementstaks en m³?tarieven voor drinkwater en afvoer/zuivering; tarieven worden jaarlijks door gemeenteraad of syndicaat bekrachtigd. Verder bestaan er lokale taksen zoals een hondenbelasting, een taks op handelsreclame/uitstekende uithangborden, een taks voor bezetting van het openbaar domein (terrassen, steigers, containers) en in sommige gemeenten een toeristenbelasting (taxe de séjour) die per overnachting door exploitanten wordt geïnd.
Bij bouw of verbouwing kunnen éénmalige gemeentelijke heffingen spelen die losstaan van de nationale registratie- of btw-heffingen. Veel gemeenten voorzien in aansluit- en ontwikkelingsbijdragen voor water, riolering en soms regenwaterbeheer, berekend per aansluiting, per strekkende meter gevel of per m²/wooneenheid; de juridische basis ligt in lokale reglementen en in sectorale wetten (o.a. waterbeheerwetgeving). Onder de wet op de gemeentelijke ruimtelijke ordening (loi modifiée du 19 juillet 2004 concernant laménagement communal et le développement urbain) mogen gemeenten via een PAP/verkavelingsconventie een financiële participation aux équipements publics of in?natura overdrachten vragen (wegenis, groen, trottoirs) als voorwaarde voor vergunning. Tijdelijke bezetting van openbaar domein tijdens een werf is afzonderlijk vergunnings- en taksplichtig, met dag- of weektarieven per m². Parkeerregimes worden lokaal geregeld met betaalzones, bewonerskaarten (jaarlijkse retributie) en administratieve sancties bij inbreuken volgens het verkeersreglement.
- Afval: vaste abonnementstaks + variabele PAYT?component (gewicht/volume/ledigingen); inning door gemeente of intercommunaal syndicaat.
- Water/riolering: aansluitretributies + m³?tarieven voor drinkwater en zuivering; aparte vaste jaarcomponent mogelijk.
- Openbaar domein: taks voor terrassen, stellingen, containers en werfzones; tarieven per m² en per tijdseenheid.
- Overnachtingen: in bepaalde gemeenten toeristenbelasting per persoon/nacht; aangifte en afdracht door exploitant.
- Overige lokaal: hondenbelasting; taks op reclame/uitstekende uithangborden; bewonersparkeren (jaarlijkse kaart).
- Bouwen/ontwikkelen: bijdragen voor publieke infrastructuur (équipements publics) en aansluitrechten op nutsnetten.
In België zijn vergelijkbare heffingen grotendeels lokaal of intergemeentelijk georganiseerd, maar de jaarlijkse eigenaarsheffing (onroerende voorheffing) is een gewestelijke belasting op het (geïndexeerde) kadastraal inkomen met provinciale en gemeentelijke opcentiemen; de basistarieven bedragen 3,97% (Vlaanderen) en 1,25% (Brussel en Wallonië), waarna opcentiemen de effectieve druk bepalen. Belgische gemeenten heffen daarnaast afval- en rioolretributies (vast + variabel), taksen op bezetting openbaar domein en in toeristische gemeenten een toeristenbelasting; kustgemeenten kennen vaak een aparte jaarlijkse belasting op tweede verblijven. Een hondenbelasting is in Wallonië en Brussel nog gebruikelijk, terwijl in Vlaanderen veel gemeenten die hebben afgeschaft. Anders dan in Luxemburg wordt in België de jaarlijkse last op eigendom wel gekoppeld aan een (geïndexeerde) waarderingsbasis met structureel hogere opbrengst; Luxemburgse lokale lasten focussen primair op verbruik, dienstverlening en projectgebonden bijdragen.
Welke fiscale voordelen bestaan er voor huiseigenaren in Luxemburg?
Bij aankoop van een hoofdverblijf in Luxemburg zijn twee instrumenten financieel gunstig. Het krediet op notariële akten (crédit dimpôt, Bëllegen Akt) vermindert de registratie- en overschrijvingsrechten tot maximaal 30.000 euro per koper; het geldt éénmalig, vereist effectieve bewoning als hoofdverblijf binnen twee jaar en behoud gedurende minstens twee jaar, en bij bouwgrond start een bouwtermijn van vier jaar. Daarnaast kan op de levering van nieuwbouw of op bouw-/renovatiewerken voor het eigen hoofdverblijf het superverlaagde btw-tarief van 3% worden toegepast in plaats van 17%, met een absoluut btw-voordeelplafond van 50.000 euro per woning; voorafgaande goedkeuring en naleving van de bewoningsvoorwaarden zijn verplicht. De grond blijft doorgaans onder registratie? en overschrijvingsrechten vallen, eventueel met gemeentelijke opcentiem op het registratierecht. In België bestaan geen vergelijkbare notariële kredieten; daar werken de gewesten met registratiepercentages (Vlaanderen 3% voor enige eigen woning, 1% bij ingrijpende energetische renovatie; anders 12%/12,5% in de gewesten) en in beginsel 21% btw op nieuwbouw.
- Bëllegen Akt: éénmalig tot 30.000 euro per koper; hoofdverblijf, bewonings-/termijnvoorwaarden; niet voor tweede verblijf/verhuur.
- Btw 3% op hoofdverblijf-werken/nieuwbouw: voorafgaande goedkeuring; voordeelplafond 50.000 euro per woning; overschot aan 17%.
- Grond: onder registratie- en overschrijvingsrechten; gemeentelijke opcentiem mogelijk op het registratierecht.
- België ter vergelijking: geen notariële kredietregeling; registratieheffing gewestelijk (3%/1%/12% VL; 12,5% BXL/WA) en 21% btw op nieuwbouw.
Tijdens het aanhouden van de eigen woning biedt Luxemburg meerdere voordelen in de personenbelasting en op jaarlijkse heffingen. Er is geen belasting op een fictieve huurwaarde voor de eigen bewoning, waardoor geen inkomsten worden toegerekend zolang de woning niet wordt verhuurd; dat contrasteert met Nederland, waar een eigenwoningforfait geldt. Hypotheekinteresten voor de hoofdverblijfplaats zijn aftrekbaar als bijzondere uitgave met plafonds per gezinslid: in de eerste vijf jaren maximaal 3.000 euro per persoon, in jaren 610 maximaal 2.250 euro, en vanaf jaar 11 maximaal 1.500 euro per persoon; kinderen ten laste verhogen het gezamenlijke plafond. De gemeentelijke onroerende belasting (impôt foncier) is gebaseerd op historisch bepaalde eenheidswaarden en is in de praktijk relatief laag; particulieren zijn bovendien niet aan een jaarlijkse vermogensbelasting onderworpen. In België bestaat wel een gewestelijke onroerende voorheffing op het geïndexeerde kadastraal inkomen, waardoor de jaarlijkse last doorgaans hoger ligt dan in Luxemburg.
- Geen imputatie van huurwaarde voor eigen bewoning; geen jaarlijkse vermogensbelasting voor particulieren.
- Hypotheekinteresten hoofdverblijf: aftrek als bijzondere uitgave met plafonds per persoon (05 jaar: 3.000 euro; 610: 2.250 euro; >10: 1.500 euro).
- Impôt foncier: lage heffing door oude waarderingsgrondslag; los van nuts- en afvalretributies.
- Vergelijking: België heft onroerende voorheffing; Nederland kent eigenwoningforfait in box 1.
Bij vervreemding is de volledige vrijstelling van meerwaardebelasting op de eigen hoofdverblijfplaats een essentieel voordeel, mits de woning feitelijk als principale woonst heeft gediend tot aan de verkoop (korte leegstand zonder verhuur schaadt dit niet). Voor andere eigendommen is het regime minder zwaar na twee jaar bezit: langetermijnmeerwaarden worden slechts belast aan het halve globale tarief en genieten per belastingplichtige een specifieke vrijstelling van 50.000 euro per periode van tien jaar (100.000 euro bij gezamenlijke aanslag). Voor Belgische rijksinwoners met Luxemburgse woning of tweede verblijf wijst het Belgisch?Luxemburgse verdrag de heffing over Luxemburgs onroerend inkomen en meerwaarden aan Luxemburg toe; België past vrijstelling met progressie toe en heft geen onroerende voorheffing op in Luxemburg gelegen goederen. Nederlandse rijksinwoners nemen Luxemburgs vastgoed administratief in box 3 op, maar ontvangen verdragsvrijstelling zodat over het object zelf geen Nederlandse heffing ontstaat; verkoopwinsten bij particulieren worden in Nederland niet afzonderlijk belast.
- Hoofdverblijf: volledige meerwaardevrijstelling bij verkoop; feitenlijke bewoning vereist.
- Niet?hoofdverblijf: na ?2 jaar halve?tariefheffing; bijzondere vrijstelling 50.000 euro p.p. per 10 jaar.
- België: verdragsvrijstelling met progressie; geen Belgische onroerende voorheffing op Luxemburgs vastgoed.
- Nederland: box?3?verdragsvrijstelling; geen afzonderlijke belasting op particuliere verkoopwinsten.